Onderzoek teruglopende rietoogst in Weerribben-Wieden: ‘Er is niet één oorzaak’
Waarom groeit het riet in de Weerribben en Wieden slechter dan voorheen? Het is een vraag die rietsnijders al jaren bezighoudt. Vermoedens waren er genoeg, maar een harde onderbouwing ontbrak. Vandaar dat er een wetenschappelijk onderzoek kwam om de oorzaken in kaart te brengen. Onze verslaggever Jesse van Dalen sprak met Gijs van Dijk, een van de onderzoekers.
Omdat de rietproductie in de Weerribben en Wieden al jarenlang onder druk staat, werd in opdracht van het Natuurcollectief Noordwest Overijssel een onderzoek uitgevoerd door Onderzoekcentrum B-WARE en advies en ingenieursbureau Witteveen+Bos. In het rapport worden voorbeelden genoemd van percelen waar de opbrengst in ruim twintig jaar tijd is teruggelopen van ongeveer 1.500 naar 300 bossen riet. Verspreid over het Nationaal Park Weerribben-Wieden bekeken de onderzoekers veertig rietpercelen om te achterhalen welke omstandigheden bepalend zijn voor een goede rietoogst.

“Met deze studie hebben we vastgesteld welke factoren de rietproductie beïnvloeden. We geven daarmee niet direct een kant-en-klare oplossing, maar wel veel inzicht in mogelijke handelingsperspectieven”, begint Gijs.
Drie belangrijke factoren

Volgens het onderzoek zijn er drie factoren die het meest bepalend zijn: de basenrijkdom van de bodem (rijkdom aan basische mineralen als calcium en magnesium, die zuren kunnen bufferen), de beschikbaarheid van nutriënten en de successie van de vegetatie (opeenvolging van verschillende soorten). Mogelijke problemen of tekorten hierin zijn te verhelpen door rietland te bevloeien, oppervlakkig te plaggen of nutriënten toe te voegen. Maar, benadrukt Gijs: “Welke factor de grootste belemmering vormt, verschilt per perceel. Soms is slechts één factor bepalend, soms een combinatie van twee of drie.”
Dat verklaart waarom sommige rietvelden het beter doen dan andere. Jongere, natte en basenrijke rietlanden presteren beduidend beter dan oudere rietvelden die verder zijn verland, zuurder zijn geworden en langzaam veranderen in moerasbos. Ook een lagere beschikbaarheid van voedingsstoffen kan de rietproductie belemmeren.
Fosfor
Tot nu toe zijn dat vrij logische conclusies. “Het is wel nieuw dat we nu veel beter kunnen onderbouwen hoe deze factoren precies doorwerken op verschillende eigenschappen van het riet. Daarbij blijkt dat een bepaald nutriënt een andere invloed kan hebben op de lengte van de stengel dan op de hardheid van die stengel. Dat is nieuwe kennis, zeker voor dit gebied”, meent Gijs.
Riet groeit bijvoorbeeld beter op plekken waar meer fosfor in de bodem zit, waar de verhouding tussen kalium en fosfor in het riet lager is en waar de bodem rijker is aan basen. Op deze locaties worden de rietstengels langer, dikker en neemt de totale hoeveelheid riet toe. De stevigheid van de stengels hangt vooral samen met de samenstelling van de plant: riet met meer koolstof ten opzichte van stikstof en met minder ijzer blijkt harder te zijn.

Bij lage fosforconcentraties blijven stengels korter en dan kan het een oplossing zijn om fosfor toe te voegen, bijvoorbeeld via fosforrijk water of bemesting. Maar dat brengt risico’s met zich mee. Gijs vervolgt: “Er is namelijk een optimum. Wanneer je te veel fosfor toevoegt, gaan niet alleen de rietplanten harder groeien, maar ook allerlei andere planten. Daardoor kan het rietland verruigen, wat het oogsten juist moeilijker maakt. Daarnaast kunnen overtollige nutriënten uitspoelen naar de omgeving.”
Keerzijde van schoner water
Omdat schoner water belangrijk is voor behoud en herstel van andere natuurdoelen in het gebied, werken natuurbeheerders en het waterschap juist aan het verlagen van de fosforconcentraties in het water. “Een laag gehalte aan fosfor is van groot belang voor behoud en herstel van bepaalde natuurtype, zoals trilveen. Maar uit ons onderzoek blijkt dat een té lage beschikbaarheid van fosfor ook één van de beperkende factor kan zijn voor de productie van riet”, vertelt Gijs.
Hij benadrukt het woord kan, omdat de metingen midden op de rietpercelen zijn uitgevoerd. “Daardoor kunnen we dus niet zeggen: de fosforconcentratie in het water is met een bepaald percentage afgenomen en daardoor is de rietproductie met een bepaald percentage gedaald. Zo direct kunnen we dat verband niet leggen. Wel is het aannemelijk dat de afname van nutriënten in het oppervlaktewater op termijn ook invloed heeft op de percelen en hiermee één van de factoren is die meespeelt.”
Grotere rol regenwater
Tegelijkertijd is dat alles nog niet het hele verhaal. Op sommige locaties spelen namelijk juist de afname van basenrijkdom, verzuring en de voortschrijdende vegetatiesuccessie een veel grotere rol. Een beperkte basenrijkdom wordt veroorzaakt door de afname van de hoeveelheid mineralen in het water, zoals calcium, magnesium en bicarbonaat. Deze stoffen worden vooral aangevoerd via grond- en oppervlaktewater. Naarmate een rietland ouder wordt, neemt de invloed van deze waterstromen af en krijgt regenwater een grotere rol. Omdat regenwater veel minder mineralen bevat, neemt de basenrijkdom geleidelijk af en treedt verzuring op.
Dit proces is vooral zichtbaar in de kraggen waarop veel rietlanden in de Weerribben en Wieden liggen. Deze drijvende veenmatten ontstaan doordat open water langzaam dichtgroeit. Ze ontwikkelen zich in de loop van tientallen jaren van jonge, natte gebieden tot dikkere en stevigere veenlagen. Hoe dikker zo’n kragge wordt, hoe groter de invloed van regenwater in plaats van grond- en oppervlaktewater. Deze verzuring en de successie van de vegetatie wordt bovendien versterkt en versneld door stikstofdepositie.
Afweging
Het onderzoek onderstreept vooral hoe complex het watersysteem van de Weerribben en Wieden is. Een maatregel die gunstig is voor een natuurdoel, hoeft dus niet automatisch gunstig te zijn voor de rietproductie en andersom. “Hoe je daarmee vervolgens omgaat, is niet aan ons om te bepalen”, zegt Gijs. “Dat is uiteindelijk een afweging die terreinbeheerders, rietsnijders, de provincie en het waterschap samen moeten maken. Voor de hand liggende maatregelen zijn extra bevloeiing of het oppervlakkig plaggen van percelen. Hierbij verhoog je de basenrijkdom, zet je de successie terug en voer je via het oppervlaktewater ook nutriënten aan. Dit kan bovendien positief bijdragen aan de natuur. Bemesting is in dit geval lastiger, omdat hierbij sneller het risico ontstaat van uitspoeling naar de omgeving.”

Toekomst rietcultuur
Volgens Van Dijk blijft in de toekomst voorzichtigheid geboden. “Het kan zijn dat uit vervolgonderzoek blijkt dat bepaalde maatregelen onvoldoende effect hebben. Dan zul je moeten accepteren dat de rietproductie op sommige percelen blijft afnemen. Misschien moet je keuzes maken over waar je nog riet wilt telen en waar niet. Of wellicht ga je op sommige locaties wel maatregelen nemen en op andere locaties juist niet. Ook kan er worden nagedacht over rietteelt op gedraineerde veenbodems. Dan wordt de bodemdaling geremd en zijn er vaak nog voldoende nutriënten en mineralen in aanwezig. Dat zijn keuzes waarover de betrokken partijen gezamenlijk zullen moeten nadenken.”
Met dit nieuwe rapport zijn volgens de onderzoekers dan ook niet alle vragen beantwoord. Wel ligt er voor het eerst een wetenschappelijke basis onder de vermoedens, ideeën en de teruglopende rietoogst.
Bron: Streekomroep De Werven